Bovenkerk Kamerkoor legt lat hoog

Tekst en foto: Fred Sollie

KAMPEN – Het Bovenkerk Kamerkoor (BKK) is een gerespecteerde naam geworden in de regionale koorwereld. Hoofdoorzaken zijn de kwaliteit van de stemmen, maar ook de groeiende aspiraties van het koor spelen een rol. Zo worden steeds hogere eisen gesteld aan de samenstelling van het repertoire. Dat bleek uit het programma dat het koor zaterdagavond in de Burgwalkerk ten gehore bracht: een mis van William Byrd en twee motetten van Johann Sebastian Bach, topwerken uit de koorliteratuur.

Byrd 

William Byrd (ca. 1543-1623) was één van de grootste componisten van zijn generatie. Zijn mis voor vier stemmen, een meesterwerk van late Elizabethaanse polyfonie, was waarschijnlijk de eerste van zijn drie grote, niet-begeleide polyfone missen. Dirigent Ab Weegenaar koos er echter voor om het koor door Sander van den Houten te laten begeleiden op een klein orgeltje, waarschijnlijk om het koor steun te geven in dit bepaald niet eenvoudig te zingen werk. Deze muziek valt of staat bij glasheldere polyfonie en loepzuivere harmonie. Ga er maar aan staan. Koor en dirigent deden hun uiterste best en dat was te horen.

Background Image

‘Komm, Jesu komm’

Ook de zes motetten van Bach (BWV 225-230) zijn hogeschoolwerk. Met name het ‘Jesu, meine Freude’, waarmee het concert werd besloten, is en blijft een huzarenstuk van de bovenste plank. 

Maar eerst was het de beurt aan ‘Komm, Jesu komm’, een 8-stemmig motet dat Bach moet hebben geschreven tussen 1723 en 1734. Het BKK opende prachtig in de exclamaties van het ‘Komm…’. Hier en daar weliswaar wat onzuiver maar de expressie leed daar niet onder. Wiegend, dansend, ja bijna walsend spreekt de gelovige in dit motet zijn vertrouwen in de Heer uit. De vervoering werkte nog sterker na de maten waarin wordt geklaagd over de ‘saure Weg’ waarover zijn aardse bestaan zich voortsleept. Het BKK gaf er een beeldende uitvoering van.

‘Jesu, meine Freude’

Voor Bach was muziek dè manier om God te eren. Zo ook in het motet ‘Jesu, meine Freude’ waarmee het concert werd vervolgd. Dit motet is een praedicatio sonora, een muzikale preek, een liedtekst gecombineerd met een bijbeltekst: enkele verzen uit Paulus’ brief aan de Romeinen. Volgens Bach-biograaf Christoph Wolff was dit motet bij uitstek geschikt voor een pedagogisch doel. De afwisseling van vijf-, vier- en driestemmigheid en de plastische muzikale tekstuitbeelding maken dit stuk de ideale leerschool voor koorvorming. Het BKK zal er ongetwijfeld veel van geleerd hebben. Weegenaar gaf er een boeiende interpretatie van. Hij heeft zich hoorbaar in de retorica verdiept, zonder de daarin wortelende uitgangspunten als een keurslijf te hanteren. Niet de tekst ‘pur sang’ maar de tekst in relatie tot de muziek is bij hem het vertrekpunt. Dat resulteerde in mooie spanningsbogen, dynamische verschillen en expressiviteit met doorgaans een goede balans in de koorklank, al had de sopraanpartij hier en daar meer benadrukt mogen worden.

Intonatie 

Punt van aandacht in beide motetten was de intonatie. De kleine akoestiek van de Burgwalkerk registreert elke oneffenheid en het treffen van de juiste toon was nogal eens een probleem, met name in de exclamaties. 

Prestatie van formaat 

Een uitvoering van dit repertoire betekent voor elk koor een uitdaging zonder weerga, want zoveel is zeker: de motetten van Bach behoren tot de crème de la crème van zijn vocale muziek en zijn een uiterste consequentie van de polyfone muziek van de middeleeuwen en de renaissance. Als je deze werken kunt zingen (ook al zijn inzetten en intonatie niet overal in orde), dan kun je wat. Voor een amateurkoor in ieder geval een prestatie van formaat!